In gesprek met:

Jan Peters,

geboren in 1921 aan de Rijksweg in Duiven, daar waar vroeger kapper Sanders en nu kapsalon Heebing is gevestigd. Op vele plaatsen heeft hij gewoond en gewerkt. Nu woont hij op een mooi, zo niet het mooiste plekje van de straat, in de oksel van de dijk en Husselarijstraat.

..... 'k geloof alleen dat vijf pond vlees 'n goeie soep maakt .....

Zijn ouders hebben lang in het Ruhrgebied gewoond en gewerkt, zoals velen uit deze streek. Thuis hebben ze twaalf kinderen, zo was dat vroeger. Eenmaal weer in Nederland verhuizen zij vanuit Duiven al snel naar 't Loo, naar wat nu Husselarijstraat 42 (toen L61) is. Je kunt je nu niet voorstellen dat zo'n groot gezin in zo'n klein huus kan wonen. In 1925 komt de familie te wonen in een van de twee gemeentewoningen op het einde van de Husselarijstraat, op nr. 70 (toen L48).

Uit zijn tijd als schooljongen herinnert hij zich dat hij met enige kameraden achter de heg de Floep bespiedde als die met Leentje stond te vrijen. Als er familie op bezoek komt, wordt hij er op uit gestuurd om bij café van Miet Walravens 'n paar maatjes jenever te halen; uit een grote fles worden drie maatjes uitgeschonken maar er spettert ook nogal wat naast.

De Tweede Wereldoorlog is voor Jan de periode, waarin hij ongeveer vier jaren in Duitsland op een steenfabriek tewerk gesteld wordt. Hij komt niet alleen terug, hij brengt Nina mee. Zij is een Oekraïense, die gedwongen in Duitsland heeft moeten werken. Rusland wordt nog gezien als één geheel - het heet ook de U.S.S.R. of Sovjet Unie - zodat zij gemakshalve als Russin wordt beschouwd.
In de naoorlogse jaren is trouwen met iemand uit het Oostblok geen eenvoudige zaak. Dat willen Jan en Nina graag, maar administratieve hindernissen en kerkelijke verschillen werken vertragend.

Eind 1945 trouwen zij voor de wet. Het winterweer werkt ook niet mee, de koets komt niet opdagen wegens de gladheid, en het aanstaande paar moest lopes en zonder getuigen naar het gemeentehuis in Duiven.
Gelukkig zijn de twee gemeente-veldwachters zo vriendelijk als getuigen op te treden. Trouwen voor de kerk in het volgende jaar mag pas nadat de uiteraard gedoopte maar orthodox opgevoede Oekraïense is ingewijd in de leer van de Roomse kerk. Het bruiloftsfeest met ongeveer tien gasten wordt gevierd in café Walravens, opgeluisterd door een accordeonist die zowel staande (nuchter) als liggende (niet nuchter) muziek ten gehore kan brengen. Het kost hem zo'n zestig gulden.

In 1948 behoort Jan tot de gelukkigen die in de nieuwbouw een pas gebouwde woning in de Sloetstraat nr. 1 (toen L150) krijgt toegewezen. In 1967 keert hij met zijn gezin terug naar het ouderlijk huis aan de Husselarijstraat 70, dat hij met enig geluk en vindingrijkheid in 1968 voor ƒ 6000,= van de gemeente kan overnemen. Waar eerder een gezin met twaalf kinderen had gewoond, passen Nina en Jan met hun vijf kinderen ruimschoots in.

In die tijd werkt Jan als metselaar weer in Duitsland, in de buurt van Wuppertal. Hij kan daar (via koppelbazen) immers een beter loon verdienen dan in Nederland. Het wordt een onafgebroken periode van buitenlandse arbeid. Tot zijn 63ste jaar. Alles tezamen, inclusief de oorlogsperiode, heeft hij zo'n 25 jaar in Duitsland gewerkt.

Alle blagen Peters hebben last gehad van het "gemengde" huwelijk van hun ouders. De naoorlogse tijd, bekend als de periode van de Koude Oorlog, kent enkele dieptepunten in de gespannen verhoudingen tussen Oost en West. Denk aan de Hongaarse Opstand (1956) en aan de Cuba-crisis (1962). De opwinding, verontwaardiging, ongerustheid, misschien zelfs wel angst onder de volwassenen echoot door onder de jeugd. Menigmaal zijn op straat Jan's kinderen voor vieze Rus uitgemaakt of op andere manieren geplaagd.

Na een arbeidzaam leven geniet Jan (zijn bijnaam is het schaap, al weet-ie niet waarom) al vele jaren van zijn "vrije" tijd, van de wisseling van de seizoenen in zijn moes- en bloementuin, die af en toe oogt als een oase als er kwelwater in staat, van zijn buurtgenoten of passanten waarmee hij graag en met humor een praatje maakt. Misschien zegt hij dan wel, net zoals tegen ondergetekenden: ..... wat jullie 's nachts dromen, vertellen jullie overdag ..... 
Het leven is er gemakkelijker op geworden, 't Loo is er op vooruit gegaan, er wonen meer verstandige lieden. Wat wil een mens nog meer.

(interview door Th.M.J. Jonker & H. Walravens (juni 2012)

@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@


Een gesprek met Jan van Sadelhoff, tuinder, koorzanger

Jan is geboren op 20 september 1931 in het (huidige) huis aan de Loostraat 65 dat door zijn vader in 1930 is gebouwd. Zijn vader Toon (Antonius Everardus) is er een bedrijf begonnen met fruitteelt, varkens en kippen, een (gecombineerde) bezigheid die destijds vele agrariërs in 't Loo uitoefenden. Er worden drie kinderen geboren, twee meisjes, één jongen en dat was Jan.

Tuinder
Omdat hij na de Lagere School de Middelbare Fruitteeltvakschool in Didam heeft gevolgd, ligt het voor de hand dat Jan het bedrijf zou overnemen. Voeg daarbij nog enige cursussen in Economie en Spuittechniek bij meester Berentsen in Groessen en Jan is er klaar voor om omstreeks 1950 zijn vader op te volgen. De interesse van Jan ligt echter niet bij de fruitteelt, de varkens en de kippen, hij begint met aardbeienteelt, eerst op de koude grond en geleidelijk aan bouwt hij met kassen zijn bedrijf uit. Dat gebeurt vooral vanaf 1957, na zijn trouwen met Gerda (Gerrie) uit Elst. De liefhebberij voor de tuinderij heeft hij min of meer overgenomen van (de oude) meester IJzermans, die er een eigen tuintje op na hield en waarin Jan als schooljongen altijd met veel belangstelling het gehele proces van zaaien, verzorgen en opgroeien van de planten volgde. Mede door de steun van zijn vrouw Gerrie heeft hij zich met zijn bedrijf een goed bestaan verworven, maar de laatste jaren zijn de opbrengsten zo achteruit gegaan dat je er niet meer van kan rondkomen.

Koorzanger
Voor de noodzakelijke erediensten gedurende de week (rouw en trouw) en op zon- en feestdagen is het wenselijk dat er minstens een stuk of acht zangers zijn, liefst met een eigen bedrijf, want die zijn op afroep beschikbaar. Jan meldt zich in 1951 aan, dat is in de tijd van pastoor Van Schaik, een echte muziekliefhebber. Pastoor Van Schaik had de gewoonte hoogst persoonlijk de zangkwaliteiten van een aspirant koorlid te beoordelen. Maar Jan hoeft dat oordeel niet te ondergaan, hij heeft altijd zo goed geluisterd naar de zang van meester IJzermans en ook vaak beneden in de kerk meegezongen dat pastoor Van Schaik zonder vóórzingen wel wist dat het goed zat.

Noten lezen kon en kan hij niet, hij zingt "op afstand". Toch wordt Jan tenslotte voorzanger, samen de oude Hugen, zodat hij bijna wel verplicht is om elke zondag present te zijn. Als het koor, bijvoorbeeld na het instuderen van een nieuwe mis, goed gepresteerd had, liet pastoor Van Schaik zijn waardering blijven door het koor een doos sigaren cadeau te doen. Jan heeft zijn zanghobby altijd serieus genomen, als hij wist dat hij op een bepaalde dag moest zingen, regelde hij zijn afspraken zo dat het zingen niet in de knel kwam.

Jan heeft binnen het koor verschillende taken op zich genomen, hij was er secretaris en voorzitter van. Ook is hij negen jaar lid van het kerkbestuur geweest. In de periode van pastoor Dellemijn werd de kerk grondig onderhanden genomen (gerestaureerd). Pastoor Dellemijn wilde het hoofdaltaar laten verwijderen opdat het er meer ruimte voor het koor zou zijn. Jan, die zich wist te herinneren hoe o.a. zijn tante Marie met een maandelijkse rondgang door het dorp cent voor cent voor het altaar bij elkaar gespaard had, wilde de sloop van het hoofdaltaar voorkomen. Pastoor Dellemijn zwichtte voor zijn argument (of liever: dreigement): Als dat doorgaat vertrek ik uit het kerkbestuur en uit het kerkkoor. Hoort dit verhaal thuis in de categorie Sterke verhalen?Misschien niet, misschien wel, het maakt wel duidelijk dat met koorzanger Jan van Sadelhoff niet viel te spotten.

Op 19 november 2011 is aan Jan van Sadelhoff vanwege zijn 60-jarig koorjubileum een kerkelijke onderscheiding van de St. Gregoriusvereniging uitgereikt.

Interview Th.M.J. Jonker en H. Walravens (november 2011)

@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@

In gesprek met: Frank Wilting

niet geboren maar wel getogen aan de Husselarijstraat 29, oudste zoon van Jan Wilting en Corrie Wilting-Lap.

..... Je begint te produceren zonder dat je weet wat op het eind de opbrengst is .....

Frank is geboren in 1968 te Zevenaar, in 't Loo is hij opgegroeid. Frank kan goed leren. Hij heeft - ongetwijfeld met veel spraakwater - alle vormen van onderwijs en opleiding, van Lagere School in ons dorp tot Middelbare Tuinbouwschool in Nijmegen, zonder al te veel inspanning (huiswerk!) met succes gevolgd. Hij gaat niet naar de Hogere Tuinbouwschool, hij vindt dat hij genoeg gestudeerd heeft, hij wil de praktijk in. Frank wil werken in net zo'n bedrijf als zijn vader heeft. Een aanbieding om als bedrijfsleider in een witlofbedrijf in Nijmegen aan de slag te gaan, wijst hij van de hand, in zijn vader's bedrijf ziet hij mogelijkheden. Het is niet groot, zo'n 1,1 ha. Kan zo'n klein bedrijf met bulkproducten als tomaten, paprika's en komkommers - in de winter botersla- wel overleven? Frank vindt het een uitdaging. Hij trouwt in 1993 met Ellen, woont tijdelijk in de Eversstraat en keert in 2001 terug. In de tussentijd, in juli 1996, is hij zelfstandig ondernemer geworden en in september van dat jaar wordt de eerste grote kas gebouwd, een tweedehandse uit het Westland. In de winter van 2000/2001 eindigt het laatste witlofseizoen. Hij concentreert zich voortaan op één product per seizoen. Een bestaan als tuinder is een ongewis bestaan. De energie is de grootste onkostenpost, je weet nooit of dat weer terugverdiend wordt. Maar hij ligt er gelukkig niet wakker van.

Waarin een klein dorp groot kan zijn

Frank kijkt positief terug op wat hij gedaan heeft en naar wat hij nu doet, maar ook positief naar ons dorp. Hij geniet van het kleinschalige, waar iedereen elkaar kent. Als je iets nodig hebt weet je elkaar te vinden. Van hem mag het zo blijven. Het is toch heel bijzonder dat zo'n klein dorp allerlei verenigingen in stand weet te houden. Van hem hoeft het dorp niet te groeien. Soms komt hij nu wel eens mensen tegen die hem onbekend voorkomen. Hij hoopt dat ook zij zich betrokken gaan voelen bij wat er bij 'n klein dorp hoort. De processie, de kermis, de sportieve en muzikale verenigingen, het ons kent ons-gevoel.

Hij heeft er op zijn bedrijf bewust voor gekozen de Loo'se jeugd in te schakelen. Dat levert nooit problemen op, hij kan op ze rekenen. Indien nodig zijn ze er om zes uur 's ochtends of helpen ze bij het wisselen van de gewassen. Een mooi voorbeeld vindt hij dat elk jaar op kermismaandag iedereen, zelfs oud-gedienden, opdraven om te helpen opdat hij, Frank, ook kermis heeft. Neen, hij zeurt niet over de hedendaagse schooljeugd, hij kan goed met ze opschieten.

Zijn werk vraagt offers, zijn vrouw moet er ook achter staan, het is niet vanzelfsprekend dat het gezin in de zomer met vakantie kan gaan. Toch hebben met z'n allen hart voor het bedrijf en genieten ze van hun mooie drie-generatiewoning. Frank zou niet anders willen, onder het motto: .... blijf je eigen koers varen en doe geen dingen die je eigenlijk niet wil. Laat mij maar klein blijven.

Voor het verhaal in PDF, klik hier : hier .

Interview door Th.M.J. Jonker en H. Walravens (juni 2010)

@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@


Een gesprek met Mieneke Verhoeven, negentig jaar geleden geboren en getogen in het huis aan de Husselarijstraat 23.

...........Alle oude mensen zijn weg, vreemde mensen zijn er komen wonen....Je kunt van alles meemaken als je ouder wordt.

Zij komt uit een oud schippersgeslacht, haar grootvader Hannes Verhoeven was grindschipper. Zijn geschilderde portret en die van haar grootmoeder Johanna Hermina van Groningen zijn bewaard gebleven. Haar vader had een klein tuindersbedrijf, achter het huis, met wat vee op pachtgronden, bijvoorbeeld achter d'n diek. Zeven klassen Lagere School bij meester (Sjef) IJzermans heeft zij doorlopen, zij was in haar jaargang de beste leerling. Zij had er de capaciteiten voor om door te leren, maar wat had ze te zoeken in Duiven op de Naaischool? Liever hielp zij in de huishouding thuis en bij haar achterburen Van Groningen. En natuurlijk in het bedrijf, dat zij na haar trouwen (1954) met haar man Berend Godschalk (weduwnaar met kinderen) voortzette.

Zij heeft altijd hard gewerkt. Als er twaalf stuks melkvee, zo'n achttal pinken, twintig fokvarkens te verzorgen zijn en op z'n tijd de suikerbieten gestoken moeten worden, kan dat niet anders. Twee kinderen heeft zij opgevoed. Na het overlijden van pa Berend, 27 jaar geleden, is zij met het bedrijf gestopt.

Als velen van haar generatie heeft zij een levendige en accurate herinnering aan vroeger, aan haar schooltijd, de liedjes die meester IJzermans aanleerde, spelen op straat, tollen, knikkeren al naar het seizoen, bandelen(hoepelen). Dat ziet ze tegenwoordige jeugd niet meer doen, nu lopen ze over straat met iets in het oor. De afleiding zoals de tegenwoordige jeugd die heeft, kenden wij niet. Het schuttersfeest en de kermis, dàt was onze jaarlijkse afleiding. Ineens schiet haar in de gedachten het liedje dat vroeger, vóór de oorlog, door de schutters gezongen werd. Doen ze dat nu nog? Hent Erdhuizen heeft het geschreven, zegt ze. Moeiteloos zingt (en schrijft) ze:

Het dorpje Loo dat is wel klein, De schutterij die gaat er fijn, 't Gaat alles mooi en lang niet droog, En Willem Tell, hij leve hoog.

En gaat het soms niet voor de wind, Dan blijven we toch eensgezind, Want Willem Tell staat als 'n muur, Wij blijven trouw aan het bestuur.

Refrein: Loo'se schutters, hou je kranig, wees onderdanig aan Willem Tell, hou 'm in ere, tweedracht were, dan is en blijft het 'n jofel stel.

De eerste auto heeft zij in 't Loo zien komen, die behoorde aan Jan van Sadelhoff, directeur van de steenfabriek. Het eerste vliegtuig dat zij heeft gezien, was een tweedekker die achter de dijk een landing maakte. Alle kinderen uit het dorp renden er heen. De Husselarijstraat was niet geasfalteerd, maar verhard met 'n soort basaltstenen, de te gebruiken route werd aangegeven door balken die dwars op de weg lagen. Na verloop van tijd, als de karrensporen te diep geworden waren, kwam een gemeente-ambtenaar de balken verleggen In de huishouding deed je de grote was met de hand, met water uit de put. Elke schooldag begon met de H. Mis, na de mis werd het novenegebed ter ere van Maria gebeden. Zij heeft het zo dikwijls gedaan dat zij het nu nog kan opzeggen. Naar de kerk gaan is er - gezien haar conditie - tegenwoordig niet meer bij, maar gelukkig komt regelmatig de kerk, d.w.z. de pastor, naar haar toe.

Televisie kijkt zij zelden, of er moet iets bijzonders aan de hand zijn, natuurfilms ziet zij wel graag. Maar dan moet ze onderhand wel iets met d'r handen doen, breien, haken of borduren. Kruiswoordpuzzels oplossen en lezen doet zij liever, iets waarvoor zij vroeger geen tijd voor had. Favoriet zijn stapels oude jaargangen van de Katholieke Illustratie, die leest en herleest ze want ik snap het allemaal nog, anders heb je er niks aan.

De ouderdom komt met lichamelijke beperkingen, maar als het mooi weer is, loopt ze nog graag achter het huis rond tot aan het vertrouwde huis van de achterburen. Want niet alleen haar kleinkinderen en vijf achter-kleinkinderen interesseren haar, ook de buurt houdt Mieneke graag bij. En wat er in de wereld aan de hand is. Zij heeft geen geheugentraining nodig, dat regelt zij zelf wel. Want je kunt van alles meemaken als je ouder wordt.

Interview door Th.M.J. Jonker en H. Walravens (december 2009)

@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@


Een gesprek met Marika Biacsics

sinds 1 februari 2009 opbouwwerker in de gemeente Duiven.

.....Als je wat wilt, moet je ervoor vechten .....

Dat heeft zij niet letterlijk maar figuurlijk van haar vader geleerd. Hij was in 1956 een van de vele Hongaarse vluchtelingen die als jongeman - na de gebeurtenissen die in onze geschiedenisboekjes als de Hongaarse opstand bekend staat - zijn vaderland heeft moeten verlaten. Ook toen moesten deze - weliswaar zeer welkome - vluchtelingen zich aanpassen en in een nieuwe en vreemde omgeving hun draai proberen te vinden. Al is Marika 11 jaar nadien in Velp geboren, zij heeft als kind van een vader die van elders kwam ervaren hoe een goede opvang en begeleiding belangrijk is voor de integratie. Geleidelijk aan is toen bij haar het besef gegroeid dat zij ook van betekenis wil zijn voor degenen die enige vorm van hulp behoeven.

Al jong op eigen benen heeft zij als alleenstaande bijstandsmoeder moeten knokken om een studie in de psychosociale hulpverlening aan de een particuliere HBO-opleiding te kunnen volgen. De gemeente Rheden is aanvankelijk niet genegen haar in die keuze financieel bij te staan. Maar dank zij het compromis dat Marika overeenkomt met de gemeente Rheden kan zij aan de slag in de zorg voor haar lotgenoten, de bijstandsmoeders. Ook door als oppas voor kinderen van allochtone ouders te fungeren, kan zij deze studie voltooien.

De hulpverleningsgedachte raakt enigszins op de achtergrond als zij in Loo komt te wonen, want het bedrijf van haar partner vraagt ook hààr inzet. Het werk in het bedrijfsleven, de mede-verantwoordelijkheid die zij voelt, is fascinerend, geheel nieuw en uitdagend. Maar in haar vrije tijd blijft zij maatschappelijk betrokken door als vrijwilliger op verschillende fronten actief te zijn. Tenslotte verschuift de balans toch geleidelijk naar veel tijd voor vrijwilligerswerk en minder tijd voor de zaak.

Het bloed kruipt waar 't niet gaan kan. Zij keert terug naar de professionele hulpverlening, bij de gemeente Apeldoorn gaat zij aan de slag als opbouwwerker. Dit was een betrekkelijk korte en drukke periode maar bijzonder leerzaam. Als ook in de gemeente Duiven via de stichting Mikado het wijkopbouwwerk tot uitvoering komt, wil Marika in haar eigen gemeente aan de slag. Dat is gelukt en sindsdien is zij bij verschillende wijk- en buurtraden bezig kind aan huis te worden. Want opbouwwerk is vooral netwerken, men moet eerst je gezicht kennen. Het moet wel een doel hebben, resultaat gericht werken daar houdt zij van. In de lokale pers en in onze eigen Dorpsstem zijn enkele van haar doelstellingen als volgt geformuleerd: ondersteuning bieden aan bestaande dorps- en wijkraden en andere bewonersgroepen. Bewoners samen brengen die zich willen inzetten voor hun woonomgeving. Ontmoetingsplaatsen creëren voor ouderen, voor mensen met een beperking, voor het gezamenlijk beoefenen van een hobby of het uitvoeren van een activiteit. Het veelbesproken Kiempunt is daar een voorbeeld van. In Groessen is die al van de grond gekomen, nu Loo nog.

Marika Biascisc wil daarbij graag helpen.

Interview door Th.M.J. Jonker en H. Walravens (22 april 2009)

@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@


Een gesprek met Willem Wiltingh, geboren en getogen in het laatste huis aan de dijk op Loo's grondgebied.

.....LOO IS GROOT ZAT .....

Alles wat er moet zijn, is er. Wel hadden we vroeger meer winkeltjes en cafés.

Er is meer veranderd in zijn leven. Een gelukkig mens vertelt.

De grond waarop zijn boerderij staat, zegt hij, heet de Roskam. Deze naam verwijst naar het veerhuis dat hier of elders in de buurt langs de weg naar het Looveer moet hebben gestaan vóór er aan het einde van de achttiende eeuw aan de Huissense zijde een veerhuis kwam. Zijn grootvader heeft dat wat we nu zien in 1880 gebouwd, Willem is er geboren in 1928. Zijn vader bezat vijf bunder grond waarop hij een gemengd bedrijf had, er was wat vee, kippen en enige fokzeugen en er werd fruit geteeld. Op veertienjarige leeftijd, in 1942, was voor Willem z'n jeugd voorbij, zijn vader overleed en hij moest als enige zoon - hij had twee zussen - het bedrijf overnemen. Heel zijn leven heeft hij hard gewerkt. Te hard, zegt hij nu, zijn knieën zijn versleten, het lopen gaat hem moeilijk af.

Zoals vele mensen van zijn generatie heeft hij een uitstekend geheugen. Hij herinnert zich nog goed hoe hij bij meester (Sjef) IJzermans naar school ging in het schoolgebouw naast café Berentsen. Dat pater Hendrik Bouwmeister, een dorpsgenoot die missionaris was geworden, in 1939 hier zijn veertigjarig priesterschap vierde en hij met zijn klasgenoten een door meester IJzermans gemaakt feestlied moest instuderen. Hij kent nu nog tekst! Ook hoe hij in de eerste weken van de grote vakantie met z'n zusters bij hun grootmoeder in Andelst op vakantie ging, daar zeven stuivers verdiende met appels rapen en zich met dit zelf verdiende geld heel rijk voelde. Want straks was het hoogtepunt van het jaar, de kermis, immers met vijf stuivers had je als kind al voldoende kermisgeld. Dat waren de jaren dertig, de crisistijd.

Naoberschap bestaat nog wel maar vroeger had je toch meer en eigenlijk ook anders contact met je buren. Je hielp elkaar met het hooien en het "bouwen" (umspaaien) van het land. Als iemand was overleden, ging je aanzeggen in de buurt. Het hoorde ook tot je burenplicht te zorgen dat er door Gradus Berendsen (Husselarijstraat 3) een kist werd gemaakt. Het dorp kende meer timmerlieden, maar Gradus was de beste voor het maken van een lijkkist. Gradus kwam naar het sterfhuis om de maat van de overledene op te nemen, bad een Onze Vader en ging heen. Als de dragersvereniging niet bij de begrafenis betrokken was (dat kostte geld), was het de plicht van de vrijgezellen uit de buurt in een lange optocht lopend de kist naar de kerk te dragen.

Zijn vrouw heeft hij op een dansfeest in Valburg leren kennen.Zij kwam uit Driel. Net zoals hij ging zij graag naar dansfeesten, die vroeger bijvoorbeeld op Tweede Paas- of Pinksterdag werden georganiseerd. Zij kregen verkering en verleden jaar (2008) hebben zij hun vijftigjarig huwelijk gevierd. Behoorlijk ver van het dorp wonend is Willem toch altijd betrokken geweest bij 't Loo. Hij heeft nog gevoetbald op het geïmproviseerde voetbalveld bij Hooijman, fietste voor uitwedstrijden naar het terrein van de tegenstander - ach, we hadden vroeger meer uithoudingsvermogen - en douchen deden ze onder de pomp, of maar helemaal niet. Trouwens, niemand had thuis een douche. Één keer in de week een grondige wasbeurt in een teil was alles.

Willem Wiltingh is altijd een tevreden mens geweest, hij is daarom een gelukkig mens.

Interview door Th.M.J. Jonker en H. Walravens (25 februari 2009)

****************************************************************************


Een gesprek met Fokko Erhart (natuurbeheerder) over zichzelf en zijn werk

......."EIGENLIJK IS MIJN TAAK NIETS DOEN"......

Wie zou zo'n baan niet willen hebben ? Fokko is gaarne bereid uitleg te geven over deze opmerkelijke uitspraak. Maar eerst enige achtergrondinformatie over de persoon, die wij de laatste jaren herhaaldelijk in onze uiterwaarden rond havezate de Loowaard zien rondstruinen. Dat doet hij inmiddels al iets meer dan tien jaar. Om een van de misverstanden meteen uit de weg te ruimen: hij is niet de eigenaar van de gronden, niet degene die bepaalt of (en waar) er afrasteringen en hekken komen of waar ontgrondingswerkzaamheden plaatsvinden.

Hij is geboren in 1968 in Gieten (Drenthe), komt in Arnhem te wonen en raakt aldaar geïnteresseerd in de natuurstudie met als specialisatie vogels. Met Havo en Bosbouwschool in Velp voltooit hij zijn voorbereiding op de toekomst. In 1994 komt hij in dienst van de stichting Ark. Deze beheersstichting staat ten dienste van grondeigenaren die uit economisch belang hun bezit willen uitbaten, bijvoorbeeld door klei- of zandwinning, maar niet zelf aan natuurontwikkeling willen doen. Er wordt dan geen desolaat gebied achtergelaten, maar door de zorg van de stichting Ark moet een aangenaam natuurgebied ontstaan waar het goed toeven is. Deze opvatting over natuurontwikkeling - niet passief natuur beheren, zoals voorheen, maar actief creëren - is betrekkelijk nieuw.

De grondeigenaren van de Loowaard hebben via de stichting Ark Fokko Erhart ingeschakeld om het natuurbeheer over zo'n 75 hectare op zich te nemen. Dat betekent "grazers", Konikspaarden en Galloway-runderen, gebruiken om de vegetatie kort houden. Want er mogen geen ooibossen ontstaan die de doorstroming van het water belemmeren. In principe zijn het dieren die zichzelf dienen te redden, in zomer en winter, bij hoog en bij laag water, bij geboorte en dood. Indien niet dan krijgt zo'n dier een kruisje achter de naam en wordt vervolgens uit de kudde verwijderd. Zo blijven de geschiktste exemplaren over. Dan is de ideale toestand bereikt en kan Fokko echt "niets doen." Voor het zover is, loopt hij - met z'n hondje - de benen uit z'n lijf, repareert afrasteringen en hekken, controleert en inventariseert het vee, nu 27 paarden en 25 runderen, en telt de vogels. Hij heeft al een grote toename van broedvogelparen geconstateerd, van 170 naar 340 paren!

Een heikel punt voor 't Loo is diesels, distels. Deze plant wordt niet actief bestreden in het natuur ontwikkelingsgebied, maar Fokko zet zich wel samen met gemeente, Staatsbosbeheer en Dorpsraad er voor in om er voor te zorgen dat de overlast (pluizen!) wordt beperkt. De natuurbeheerders van de Loowaard zijn zeer terughoudend als het gaat om het maaien van distels. Dan ontwikkelt zich het wortelstelsel namelijk heel sterk, hetgeen de plaag hardnekkiger maakt. Niet maaien geeft op termijn de minste distels.

Voor de komende tien jaar is te voorzien dat in 2018 is de ontgronding is beëindigd. Dan zal ook de jachthaven zijn verdwenen, want Rijkswaterstaat wil de toegang tot de ontzandingsplas gesloten zien. En het beheer door stichting Ark zal stoppen. Het natuurgebied komt vrij voor de verkoop.

Geschreven door Th.M.J. Jonker en H. Walravens (1 oktober 2008)

Terug naar de beginpagina.. Klik hier

© DorpsRaad Loo 2019